Speciaal voor EYE heeft Tarr een tentoonstelling ontwikkeld die het midden houdt tussen een film, een theaterdecor en een installatie. Tarr heeft in zijn films altijd de keerzijde van de vooruitgang laten zien en het is daarom niet verwonderlijk dat hij zich geroepen voelt een statement te maken dat gericht is tegen de onmenselijke behandeling van de duizenden migranten die proberen hun leven een waarde te geven die hen – in Europa – niet gegund wordt.
Béla Tarr (Pécs, Hongarije, 1955) brak internationaal door met Damnation (1988) en breidde zijn roem en aanzien uit met zijn ruim zeven uur durende magnum opus Sátántangó (1994) en Werckmeister harmóniák (2000). Alle drie de films zijn op te vatten als commentaar op de kwetsbaarheid van de menselijke beschaving; onverwachte, bedreigende ontwikkelingen blijken het dierlijke in de mens naar boven te brengen en doen de onderlinge solidariteit in een besloten gemeenschap snel teniet. Het zijn grootse, aardse films, waarin de mens in de uitzichtloosheid van zijn bestaan wordt geportretteerd. Toch is er soms een glimp van verlossing, als de drank vloeit, een orkestje speelt en de barbezoekers zich verliezen in een dronken dans.
In EYE toont Tarr middels ‘gevonden beelden’, oorlogsbeelden, fragmenten uit zijn eigen films, rekwisieten en een speciaal voor de tentoonstelling opgenomen nieuwe scène niet alleen zijn sombere wereldbeeld, maar tegelijkertijd zijn mededogen voor de buitengeslotenen van onze samenleving.
Klik hier voor meer informatie over de Tentoonstelling Béla Tarr bij Eye Amsterdam.